Thomas van Aquino (1225-1275) was een zeer invloedrijke filosoof en theoloog (Dominicaanse priester) die zoals gebruikelijk in de scholastiek, de filosofie beschouwde als dienstmaagd van de theologie. Zijn belangrijkste werken zijn Summa Theologiae en Summa contra Gentilles. Uit deze werken zal ik de 5 Godsbewijzen en de hoedanigheid van het kwaad hier samenvatten. Je zult zien dat voor een postmoderne denker deze ideeën niet allemaal meer zo logisch en onomstotelijk zijn als ze dat voor zijn middeleeuwse publiek waren!
1. De vijf wegen van Thomas van Aquino (Godsbewijzen)

1.1 De eerste Beweger. Alles wat beweegt van mogelijkheid naar werkelijkheid moet in beweging zijn gezet, dit kan eindeloos worden teruggevoerd totdat men op de allereerste Beweger aankomt. Iedereen beschouwt Deze als God.
1.2 Oorzaken doen zich voor in series en kunnen geordend worden van de eerste tot de laatste oorzaak. Dit kan niet oneindig doorgaan, want zonder eerste oorzaak, kan er geen tussenliggende (vervolg) oorzaak zijn, en ook geen uiteindelijke oorzaak. Duidelijk moet er dus een eerste oorzaak zijn. De allereerste Oorzaak noemt men God.
1.3 Dingen in de wereld komen en verdwijnen. Dat kan niet altijd geweest zijn, want dan was er een tijd dat er niets was. Maar dan had er ook niets kunnen ontstaan, want iets kan niet uit het niets voortkomen. Er moet dus iets zijn dat altijd bestaat. Hem noemen we God.
1.4 Dingen doen zich in diverse kwaliteiten voor, waar het verschil wordt veroorzaakt door welke zaak de grootste hoeveelheid of de perfecte hoeveelheid van de betreffende kwaliteit bezit. Er moet dus datgene zijn wat volledig goed is en alle andere dingen goed maakt: God. (Variant op Anselmus’ ontologisch argument!)
1.5 Alle dingen hebben een bedoeling of streven een ultieme verwezenlijking na. Zoals de pijl door de boogschutter naar haar doel wordt geschoten zo is God het die het doel stelt van alle dingen (Naar het concept τελοσ van Aristoteles).
2. De hoedanigheid van het kwaad.
Thomas beargumenteerd dat de perfectie van het universum vereist dat er ongelijkheid bestaat van de dingen, dat er dus gradaties van goedheid zijn, zodat iedere variant van goedheid wordt gerealiseerd. De hoogste graad van goedheid, is die goedheid die niet kan falen. Mindere gradaties kunnen dus soms wel falen, en zullen dat soms ook doen. Daarin zit het kwaad.
Heeft het kwaad het goede als onderwerp?
Ja, het onderwerp van het kwade is het goede. Tenminste dat is wat Thomas van Aquino betuigt. Ieder wezen is goed, en ook iedere mogelijkheid heeft het goede in zich. Het goede bestaat in ieder genus, daarom, het onderwerp van het kwade is het goede.
Kan men alle kwaad onderverdelen in lijden en schuld?
Ja, ten eerste kunnen dingen worden aangeduid met hun vorm of integriteit. Als ze daaraan niet beantwoorden (bijvoorbeeld blindheid in een dier) dan is dat lijden. Op de tweede plaats hebben dingen ook een doel, als ze daaraan niet beantwoorden dan is het schuld. Daarom kan alle kwaad worden onderverdeeld in lijden en schuld.
Thomas’ argument dat het goede de bron is van het kwaad.
Thomas beargumenteerd dat het kwade altijd secundair is aan het goede, en niet volgt uit de originele intentie die goed is. Zo gaat een wit voorwerp verloren als het zwart wordt, maar de intentie was niet het verlies van het witte (kwaad) maar het ontstaan van het zwarte. Een ander voorbeeld is de zeevarende die zijn vracht overboord gooit in een storm (het kwade) met het oog op behouden te blijven (het goede). En zelfs bij morele zaken zoals een verkrachting, waar een man seks zoekt met een vrouw (kwaad) met het oog op welbehagen (goed). Zo volgt het kwaad uit een primair goede intentie.
Thomas’ merkwaardige argument: als het kwaad bestaat, bestaat God.
Het volmaakte goede zou niet bestaan in de schepping als er geen orde zou zijn in de goedheid onder de schepselen. Deze gradaties in het goede ontstaan door de toenemende mogelijkheid tot het kwade. Als deze gradaties niet zouden bestaan, zou de grootste schoonheid (namelijk de volmaakte goedheid) verloren gaan.
Daarom, als het kwade verwijderd zou worden uit het universum zou er proportioneel evenveel goedheid verloren gaan, wat niet zou moeten zijn aangezien het goede beter is in goedheid dan het kwade kwaad is (virtuosius est bonum in bonitate quam in malitia malum).
De vraag van Boethius (De consolatione, Lib. I, prosa 4) “Als er een God is, hoe komt dan het kwaad?” moet volgens Aquinas dan ook omgedraaid worden: “Als er kwaad is, dan is er een God”. Want zou er geen kwaad zijn, dan zou de orde van goedheid verloren gaan, het verlies hiervan moet worden beschouwd als kwaad, en deze orde zou niet zijn als God niet was.